Films 1895 - 2015
1960

A Bout de Souffle

Een groep jonge Franse filmliefhebbers waaronder Jean-Luc Godard en Francois Truffaut luidden eind jaren 50, begin jaren 60 een filmische revolutie in: de Nouvelle Vague. Nouvelle Vague betekent niet dat het vage films waren, maar betekent nieuwe stroming of new wave.

De filmmakers van de nouvelle vague konden dankzij nieuwe, lichtgewicht camera’s lekker de straat op om te filmen. Omdat ze jong waren durfden ze ook te experimenteren, bijvoorbeeld met een voor die tijd ongekend heftige en vrije montage die alle Hollywood-wetten aan de laars lapte. Een bekende uitspraak van Godard is: “Een verhaal heeft altijd een begin, midden en eind. Maar niet per se in die volgorde."

De jonge filmliefhebbers schreven aanvankelijk voor het filmtijdschrift ‘Cahier du Cinema’, maar al gauw veranderden ze van critici in vernieuwende filmmakers. De meest invloedrijke film van de Nouvelle Vague was Jean-Luc Godards debuut A bout de souffle.

De film gaat over de autodief Michel Poiccard (Jean-Paul Belmondo) die in het begin van de film een agent doodt. Op de vlucht voor de politie versiert hij in Parijs de jonge Amerikaanse krantenverkoopster Patricia (Jean Seberg). Net voordat ze samen het land zullen verlaten, geeft Patricia hem aan bij de politie en wordt Michel op straat neergeschoten.

De film ging tegen de heersende filmwetten en stijlkenmerken in. Zo werd er op een geïmproviseerde manier gedraaid en geacteerd. Godard experimenteerde met vertelvormen en montagetechnieken. Hij gebruikte als eerste de ‘jump cut’, in de beroemde autoscène. Ook het gebruik van handheldcamera’s is typisch voor de Nouvelle Vague-stroming. Daarvoor waren camera’s lomp en te zwaar om te tillen, vandaar dat het merendeel van de opnamens binnen, in een studio, werden gedaan. Dankzij de technologische revolutie kwamen er camera's waar je gewoon mee de straat op kon, iets waar Godard gretig gebruik van maakte.